D’n Taj en ‘t Fatehpoerken
Wat je tijdens het reizen ook leert is dat er weinig “nooit”, “altijd”, “niemand” of “iedereen” bestaat. Als je na een tijdje denkt dat je een land, cultuur of gebruik eindelijk begrijpt en er een uitspraak over doet om het in een hokje te steken, mag die boutade twee steden verder gegarandeerd weer de vuilbak in. Op het terras in Jodhpur, wachtend op onze trein, kijken we naar de eindeloze stroom verkeer. “Wat ook zot is”, zegt Griet, “is dat niemand hier een helm draagt.” Waarna uiteraard ineens de ene na de andere brommer mét helm passeert. “Je kan over Indische chaos veel zeggen”, antwoord ik, “maar ondertussen hebben we al zes keer de trein genomen en dat hebben ze hier echt goed geregeld.” Waarop onze volgende met 3 uur vertraging vertrekt en er onderweg nog 1 uur bijlapt. Na drie weken rondrijden in Rajasthan ben ik er ook zeker van dat er echt nérgens iets westers te bespeuren is, tot we plots ontdekken dat we Domino’s pizza kunnen bestellen óp de trein. Je moet op voorhand aanduiden in welk station je de pizza geleverd wil hebben, dus we wagen het erop en gaan voor 3 margherita’s in Jaipur. Omdat onze trein dus bijna 4 uur te laat is, hebben we er weinig hoop op als we rond 16u het station binnen tuffen, maar nog voor we goed en wel stil staan, komt er een plaatselijke Deliveroo-boy enthousiast zwaaien aan ons vensterke. De pizza’s zijn warm en smaken heerlijk. India, dat is nu eens een land waar iedereen altijd vriendelijk is en niemand ooit zijn werk niet goed doet.
Dat van dat nergens-iets-westers klopt dus ook niet, vaneigens. Wij zaten in de steden in Rajasthan voornamelijk in de old towns, dus ons zicht was beperkt. In Agra zitten we iets buiten het oude centrum en onderweg passeren we McDonalds, Pizzahut en een United Colors Of Benidorm, of hoe heet die kledingwinkel nu ook al weer. Ik ben het vergeten, maar Griet en de kinderen willen er heel graag binnen. Robin koopt een wintertrui, terwijl ik buiten op de stoep wacht en er een bedelend meisje voor me komt staan. Ze steekt haar hand uit en hoewel ik teken doe dat m’n kapitaal zich binnen bevindt, blijft ze staan. Ze gaat niet weg, ze wordt ook niet opdringerig, ze blijft met haar uitgestoken hand staan, een minuut of 2, 3. Ik plooi uiteindelijk toch en stop haar een paar honderd roepies toe. In de oude steden tussen de schamele huisjes en eenvoudige fruitverkopers viel het iets minder op, maar naast de wat hippere winkels wordt de armoede plots heel zichtbaar. Misschien ligt het ook aan ‘t feit dat we in een nieuwe provincie zijn. Uttar Pradesh is een van de armere provincies in India, terwijl Rajasthan zich ergens in de middenmoot bevindt. Maar dat is ‘t ook wel een beetje met India, je kan hier niet rondreizen in een propere afgezonderde toeristische bubbel. Het alledaagse leven loopt in in al z’n ruwheid, vuilheid, gekheid en lawaaierigheid los door alle must-see’s. Fascinerend.
Dé must-see in Agra is uiteraard de Taj Mahal. Of zoals ingewijden mogen zeggen: D’n Taj. Wij doen niet flauw en beslissen om na onze treinrit van een dikke twaalf uur de volgende morgen toch om 5u30 op te staan. Het gebeurt niet elke dag dat je de zonsopgang kan meemaken bij een wereldwonder. We wandelen tien minuutjes in het donker van onze homestay naar de Western Gate, passeren alle security checks en nadat Griet haar briquet heeft afgegeven (je kent ze, voor ze ‘t weet steekt ze’t spel daar in brand) mogen we in het spoor van een horde andere toeristen naar binnen.
De Taj Mahal is naast een ongelofelijk indrukwekkend gebouw ook een prachtige green screen waar iedereen dezelfde foto neemt en denkt dat de zijne de origineelste is. Heel grappig om zien, maar we doen uiteraard gewoon vrolijk mee, met kleine oogjes. Eerst de ingang, dan het beeld waar het lijkt alsof je vinger op de top staat en dan de foto aan het water, waar er zelfs proper een rijtje wordt gevormd en er allerlei Indische fotografen “NEXT!” roepen, waarna ze 20 keer afdrukken alsof je ergens op een rode loper staat, De foto’s droppen ze daarna via een geheugenkaartje op je telefoon voor een paar honderd roepie, dhanyavad.
De vijfde keizer van het Mogulrijk, Shah Jahan, bouwde de Taj Mahal in 1632 als graf voor z’n vrouw, Mumtaz Mahal, die stierf bij de bevalling van z’n 14de dochter. Het praalgraf bestaat bijna volledig uit wit marmer vol schitterende gravures en prachtige kleine kleurdetails en is nagenoeg helemaal symmetrisch. Het enige wat niet klopt is het graf van Shah Jahan zelf, dat aan de linkerkant naast dat van z’n vrouw is bijgezet. Binnen in de Taj Mahal mag je geen foto’s nemen, dus je zal ons op ons woord moeten geloven. Volgens de legende wilde Shah Jahan ooit tegenover de Taj, aan de andere kant van de rivier, een gelijkaardig zwart praalgraf bouwen voor zichzelf. Dat is nooit gelukt, omdat hij in de herfst van z’n leven door z’n zoon gevangen gezet werd in het fort van Agra, met als troost het beste zicht op het graf van z’n vrouw. Uiteindelijk hebben ze hem dus naast haar gelegd. In een iets grotere kist, uiteraard, je moet het die mannen hier niet leren.
Na onze uitgebreide fotosessie gaan we voor een snelle ontbijtstop in de wijk naast de Taj Mahal (‘t is ten slotte nog maar 9u) en wandelen we door de kleine straatjes terug richting de hostel. De Agra Hideout is me ook weer een plek. De eigenaar blijkt een tandarts te zijn, die z’n huis heeft omgebouwd tot hostel voor “medical tourists”, die een weekje willen verpozen in de schaduw van de Taj Mahal, terwijl ze hun gebit taj mahal white laten bleachen of wachten op een nieuw implantaat. ‘t Is veruit de properste plek waar we in 3 weken India gezeten hebben en ook de minst charmante. De eigenaar is vriendelijk, daar niet van, maar over z’n landgenoten in de toeristische sector heeft hij niet veel goeds te zeggen. De tuktuk-drivers zijn oplichters die hun geld verdoen met gokken en de gidsen zijn nog veel erger. ‘t Is niet de eerste keer dat ‘t ons hier opvalt dat good karma verzamelen vooral voor de bühne is. Dagelijks naar een tempeltje wandelen, een gebedje voor Krishna, een aalmoes geven aan een bedelaar, geen probleem. Maar ondertussen wordt er achter de rug stevig geroddeld. Don’t trust anyone: de gidsen, de drivers, de moslims, de handelaars, de restaurants,… ze zijn allemaal jaloers op het succes van de enige eerlijk Indiër, die hier nu toevallig voor jullie zit, wat een geluk! Vishnu hoort alles, behalve als je fluistert.
We zijn twee dagen in Agra en maken van de extra tijd gebruik om het homeschoolen zo goed mogelijk af te werken, kwestie van nooit meer op Smartschool te moeten inloggen en de leerkrachten een update te kunnen doorsturen voor de laatste klassenraden. Ik heb het zo stilaan wel gehad met cijferen met komma-getallen, de bouw van het oog, het opstellen van chemische reacties of de lichtbreking in bolle lenzen en qua geschiedkundige periodes is het leenstelsel nu niet bepaald Griet haar favoriet, om van de Franse impératif of bijwoordelijke bepalingen in samengestelde zinnen nog maar te zwijgen. Soit, ik hoop dat we geslaagd zijn en goeie punten krijgen. Sam en Robin hebben hun ouders alleszins voorbeeldig geduld als leerkracht, weliswaar met frisse tegenzin. Het blijft ten slotte school, dus we gaan dat niet plots “leuk” vinden he zeg. In Agra is er tijdens de laatste lessen ook extra afleiding omdat de eigenaar er ineens met een kersverse extreem schattige puppy komt binnenwandelen “for my kids”, die echter pas over 2 dagen thuiskomen. Het beestje is dus even helemaal van ons en steelt al spelend, klauwend, knuffelend en jankend onze harten. Als we vertrekken merkt Sam niet helemaal onterecht op dat we nog nooit zo hard bijná overtuigd waren om thuis zelf een exemplaar aan te schaffen. Ze heeft haar alvast een account aangemaakt op adopteereendier.be, maar vooralsnog zie ik het toch nog niet zo direct gebeuren met Diesel, Stefaantje of Missa.
Als afsluiter van onze reis door India is Agra ook een volgend hoofdstuk in de Noord-Indische geschiedenis. Terwijl we in Rajasthan 1000 jaar overbrugd hebben met de periode van de Rajputs en de Hindoe-koninkrijken, duiken we hier in 1500 het moslim Mogul-rijk binnen. Deze Perzisch-Afghaanse heersers hadden het hier tussen 1500 en 1700 (voor de Britten arriveerden) voor het zeggen, vielen geregeld de koninkrijken in Rajasthan binnen en bouwden zich - zoals het goede heersers betaamt - uiteraard een ongeluk. De grootste Mogul-keizer is niet Shah Jahan van de Taj Mahal, maar Akbar The Great, zoals ze hem dan ook toepasselijk noemen. Hij was de derde in het rijtje (de grootvader van Shah dus) en toen het het niet echt vlotte om een opvolger voor de troon te produceren, ging hij samen met z’n vrouw ten rade bij een soefi heilige in Fatehpur Sikri. Welk standje die man precies heeft voorgeschreven blijft een raadsel, maar de zoon kwam er en Akbar was zo dankbaar dat hij dacht: awel, ik ga m’n volledige hoofdstad eens naar hier verplaatsen zie, hold my beer.
Fatehpur Sikri bestaat uit twee delen. Fatehpur, oftwel het paleis, en Sikri, het heiligdom. De huisjes en de straten errond bestaan niet langer, want als hoofdstad heeft Fatehpur Sikri maar 4 jaar gediend. Toen kwamen Akbar en z’n gevolg erachter dat er eigenlijk niet voldoende drinkwater voorradig was om een volledige bevolking te onderhouden. Dat had die soefi heilige misschien toch ook even mogen voorspellen alvorens Akbar aan z’n kolossaal bouwproject begon, maar goed, wat weet zo’n relatietherapeut daar ook van. Het paleis dat nu nog overeind staat is alleszins gigantisch. Dat was ook nodig, want Akbar had drie vrouwen en meer dan 500 vriendinnetjes. Dat van die drie vrouwen kon hij uitleggen: hij beschouwde zich als een religieus verzoener en had dus een moslim-vrouw, een christen-vrouw en een hindoe-vrouw. Die hebben elk uiteraard een eigen optrekje in het paleis, het ene al weelderiger dan het andere. In de pilaren is de symboliek van alle godsdiensten door mekaar verweven, mooi om zien. Er zijn winterslaapkamers en zomerslaapkamers, uitgestrekte ontvangstruimtes, keukens en aparte vegetarische keukens (voor de hindoe-vrouw), spiegelpaleizen en tempels, allemaal in rode zandsteen. De omvang is echt niet te schatten, allemaal om er vervolgens 4 jaar te wonen en het dan weer af te bollen. Crazy.
Onze gids - die volgens ons geen echte gids is en z’n “officiële” badge de hele tijd verbergt - wandelt met ons het woongedeelte uit richting Sikri, de moskee en de laatste rustplaats van de soefi heilige. De toegangspoort is impressionant en een van de hoogste van India. De moskee doet nog altijd dienst en de tombe van de heilige is een soort bedevaartsoord. Je mag er drie wensen doen en die komen bijna altijd allemaal uit. Sam en Robin worden razend enthousiast, maar als we vervolgens weigeren om een offerkleedje te kopen of extra geld te doneren, worden ze ongerust dat het op die manier niet zal werken. Time will tell, kinderen!
Op de terugweg van Fatehpur Sikri en op aanraden van meme Toren en Erna (die hier een paar dagen eerder gepasseerd zijn) stoppen we ook bij het graf van Akbar. Dat heeft hij zelf ontworpen en naar ‘t schijnt heeft hij het zelf ook voor een stukje meegebouwd. Misschien was Akbar The Great gewoon een reus of was er ergens miscommunicatie bij de omzetting van metrische eenheden, want ook deze graftombe is alweer kolossaal. Vier grote toegangspoorten leiden vanuit elke windrichting naar het hoofdgebouw. Het eigenlijke graf van Akbar staat helemaal in ‘t midden aan het einde van een lange gang die uitkomt op een hele grote, donkere, sobere ruimte. Heel mooi na al die overdaad aan de buitenkant. En ook een prachtige echo. Sam en Robin The Great gaan gewillig op de foto. In tegenstelling tot alle forten en paleizen in Rajasthan is hier eindelijk ook eens wat minder volk, dus we genieten van de rust en maken een avondwandelingetje langs de gaanderijen rond de graftombe.
We willen onze laatste avond India afsluiten met nog een keer lekker eten, maar in het zicht van de meet besluit m’n maag alsnog een laatste item op de bucketlist af te vinken: de Delhi belly. We hebben hier gedurende drie weken zonder problemen echt heerlijk gegeten, maar onze trip duurt 1 dag te lang. Geen idee wat het was en de rest van het gezin blijft gelukkig gespaard, maar laat ons het erop houden dat ik de laatste nacht meer tijd spendeer in de badkamer dan op de slaapkamer. De volgende ochtend lijkt het ergste gelukkig voorbij, wat geen slecht nieuws is met een dag tuktuk-auto-trein-auto-vliegtuig in ‘t verschiet. En dan nog, niets dat een imodium niet kan oplossen! Onze laatste Indische trein brengt ons van Agra naar Delhi waar we ons vakkundig een weg onderhandelen naar een niet al te dure taxi. Misschien ligt het aan m’n zwakke maag en ‘t feit dat ik geen zin heb in veel gesjacher, maar ik begin er beter in te worden. De kunst lijkt er in te bestaan alle randinformatie te negeren en gewoon te focussen op de prijs. Een kortverhaal, als afsluiter van ons knettergek India-avontuur.
“Taxi, sir, airport, 1200 roepie, sir!”
“Too much, Uber price is 500” (niet waar natuurlijk, maar als zij liegen, dan ik ook)
“No, Uber not possible here! No Uber in this station, sir!
“Yes, Uber possible, I have it here on my phone” (al heb ik geen idee hoe rap we er eentje kunnen vastleggen)
“Sir, Uber not this way, Uber in front, sir. 1200 good price, but for you 1100.” (de Ubers stoppen aan de achterkant, denk ik, maar hij doet me twijfelen)
“No, that’s not true, we go this way” (efkes doen alsof we heel zeker zijn en vooral blijven bewegen)
“Sir, Uber cheaper because parking and taxes and toll, sir, I give you good price, 1000.”
“Too much, 500, we wait here and I call Uber” (daar heb ik in dit rattennest ondertussen al helemaal geen zin meer in, maar dat moet hij niet weten)
“No sir, I give you really good price really, 800.”
“We do it for 700” (100 boven de Uber, maar dan zijn we hier weg en m’n maag begint al weer gevaarlijk te grommen)
“Ok, sir, come.” (‘t zal wel zijn, goodbye, heksenketel! Je was een ongelofelijke belevenis, India, maar nu is het hoog tijd voor wat natuur en frisse lucht in Sri Lanka!)