Jaisalmer

Als ik dit schrijf verdwijnt buiten een prachtige oranje zon langzaam aan de horizon. We zitten op de trein, weg uit Jaisalmer, op naar Jodhpur, een kleine verplaatsing van “slechts” een uur of 5. We proberen overal telkens minstens 3 a 4 dagen te blijven, maar we hebben toch het gevoel dat het stevig vooruit gaat hier in India, zeker de laatste dagen. Sam en Robin kleuren in hun boekjes, lezen een beetje of schrijven hun Polarsteps-verslag. Ze wilden een film downloaden voor tijdens de reis - zoals ze altijd doen - maar daar hebben ze te laat aan gedacht - zoals ze ook altijd doen - dus ‘t is niet meer gelukt. Life of Pi zal voor de volgende keer zijn, nu wordt ‘t old-school uit het raam kijken of nog een beetje slaap inhalen na onze woestijn-trip. ‘t Was het eerste wat we hadden geboekt, naar ons doen belachelijk hard op voorhand, zijnde 3 weken geleden in Hoi An. Ook dat lijkt alweer een eeuwigheid. Ik had er aanvankelijk wat twijfels over, wegens verhalen over te toeristische en te commercieel. Maar wanneer heb je nog eens de kans om een tocht per kameel te doen door de Thar-woestijn?

We moeten er wel wat voor over hebben, want Jaisalmer ligt behoorlijk uit de route. ‘t Is een van de meest westelijke steden van India, op amper 200 kilometer van de grens met Pakistan. Wanneer we de laatste dag 2 legervliegtuigen spotten in de lucht gaan bij Sam en Robin alle alarmbellen af en beginnen ze een hele hoop vragen te stellen over oorlogen en kernwapens. Durf nu nog eens beweren dat ze hier niet leren door ervaring. Voor het overige, moeder, is het hier veilig (dat hebben we toch maar even gedubbelcheckt na de aanslag in Delhi twee weken geleden). We arriveren rond middernacht, na een treinrit van 11 uur uit Ajmer, vlakbij Pushkar. Onderweg op de trein laten we een paar keer de kans laten liggen om iemand tegen te houden die in een mix tussen Hindi en Engels blijkbaar de woorden “order” en “lunch” roept, dus bij aankomst heeft iedereen honger. Gelukkig kan ik de Open Road hostel nog contacteren om te vragen om iets simpel klaar te zetten, raita met chapati, Indisch brood met een soort tzatziki. Dat treft, laat de eigenaar weten, “our chef is a raita master!” Bij aankomst krijgen we dal (een soort linzencurry) met rijst. Je weet het nooit in dit land. We slapen in een soort dormitory voor 4, in 2 stapelbedden. De kamer is veel te klein en de hostel behoorlijk lawaaierig, maar we zijn moe, dus vallen snel in slaap. Ten minste, dat denk ik altijd, om dan de volgende morgen vast te stellen dat Robin toch bij Griet in bed ligt omdat ze teveel aan Harry Potter moest denken. Ik zal in ‘t vervolg gewoon voor mezelf spreken. Heerlijk geslapen!

De Open Road hostel wordt door toeristen online overal geprezen voor zijn non-touristic woestijn-safari’s. Dat is natuurlijk een contradictio in terminis, maar we gaan er vrolijk in mee. Geen idee wat het waard is trouwens, want als we een dag later in Jaisalmer rondlopen, zien we her en der bordjes staan met: “CAMEL SAFARI: TOURISTIC AND NON-TOURISTIC.” Als het maar verkoopt. We moeten om 14u klaar staan in onze hostel en we moeten enkel een warme trui meenemen, de rest voorzien zij. Omdat je ‘t maar nooit weet met zo’n woestijn, slaan we toch ook een extra fles water in. ‘t Is vrij snel duidelijk dat we hier niet alleen zijn, op onze non-touristic camel safari. Het dakterras van de Open Road stroomt redelijk vol en volgens de eigenaar zullen we met een stuk of 10 mensen de woestijn in trekken. Ik tel er uiteindelijk 25. Maar laat dat de pret niet drukken. ‘t Is trouwens wel tof om eindelijk eens een ondernemende vrouw tegen te komen. Aparna en Vivian (haar man) wonen in Kerala in het zuiden, maar hebben de Open Road 3 jaar geleden opgestart en doen hier nu seizoensarbeid tussen augustus en maart, als het niet bloedheet is. Tot hiertoe werden al onze hostels en guesthouses allemaal gerund door mannen en ook in de keuken, in restaurants, in musea, in naaiwinkeltjes, kortom, in alle openbare of zichtbare functies komen we eigenlijk nooit vrouwen tegen. Dat voelt na een tijdje heel vreemd. Noord-India (en Rajasthan in het bijzonder) heeft een van de laagste vrouwelijke arbeidsparticipatiecijfers ter wereld. Slechts 25% van de vrouwen is aan het werk en dan meestal in de landbouw (of, bizar genoeg, op plaatsen waar je ze bij ons dan weer helemaal niet ziet, zoals heulend en sleurend met bakstenen in de bouw). Aparna komt natuurlijk uit het zuiden van India, dus misschien is het daar toch wat anders. Dat moeten we ooit eens nader onderzoeken. Alweer een reden om terug te komen.

We vertrekken met de jeep en stoppen als eerste in Kuldara, een woestijndorpje waar ooit allemaal brahman’s leefden, die van de ene op de andere nacht blijkbaar plots vertrokken zijn. Er doen allerlei geruchten de ronde waarom, maar een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat de toenmalige koning van Jaisalmer wilde trouwen met een brahman-vrouw en dat mag niet. Omdat je tegen de koning echter niet zomaar “neen” zegt, vroegen ze een dag bedenktijd en pakten ze gewoon hun biezen. Sindsdien is Kuldara een verlaten spookdorp, al is daar niets van te merken, want het loopt vol Indische toeristen, die blijkbaar dol zijn op spookverhalen. Ik begin stilaan te vrezen dat ik per ongeluk de verkeerde tour geboekt heb. Als ik het de volgende dag aan Vivian vertel, geeft hij me gelijk en zegt hij dat Kuldara populair geworden is omdat zij er bij Open Road ooit mee begonnen zijn. Maar nu is het inderdaad niet meer tof, beaamt hij en hij gooit het de volgende dag prompt uit z’n tourschema. Geen dank, beste  toekomstige non-touristic vrienden.

Onze jeep neemt na Kuldara gelukkig een andere afslag dan het toeristentreintje en bij de volgende stop, een meertje in het midden van de woestijn, lopen we nagenoeg alleen, op twee ronkende tractors na die er hun drinkwater komen inslaan. Bijná een echte oase van rust! We springen terug de jeep in en rijden nu een klein uurtje verder, richting Khuri, een dorp waar ik online over gelezen had dat het nog echt afgelegen was. Non-touristic, here we come! Onze driver zet onderweg ook een playlist op met wat Indische woestijnklassiekers van Lata Mangeshkar (echt prachtig) en we komen helemaal in de sfeer. We verlaten de hoofdweg en rijden door het zand via de cactussen naar ons volgende vervoersmiddel: de kameel! Voor wat ik van kamelen ken (onderschat me niet) zijn het 8 pracht-exemplaren, die braaf op de grond klaar liggen te wachten, met een mooi dekentje en een zadel op hun bult. ‘t Zijn dus in feite dromedarissen, maar dat zijn ze hier ook pas recent te weten gekomen, vertelt een van de camel-drivers ons. “Some years ago a tourist told me my camel was not a camel. What do you mean my camel is not a camel?!” Ze zijn er hier nog steeds niet goed van, dus wie zijn wij godverdrommedaris om dat hier te komen veranderen. Kameel it is! Het voordeel aan een dier met 1 bult is dat je er met 2 kan opzitten, eentje voor en eentje achter de bult. Griet en ik belanden zo samen op een dier en Sam en Robin op een ander. Een kameel die van liggen naar staan gaat (of omgekeerd) is als een accordeon waarvan je denkt: amai, dat ding kan ver uitschuiven. Hun achterste poten plooien ingenieus in drie en als die uitvouwen zit je dus voor je ‘t weet ineens een dikke 2 meter boven de grond. Dit is India, niet Australië, dus vergeet safety regulations, wavers, briefings of cautions, geen gezeik, goed vasthouden, allemaal in de rij en weg zijn we!

We zitten maar een klein half uurtje op de kameel en touristic of niet: dat is dus volledig de max. De camel driver vooraan bepaalt het tempo en de diertjes hobbelen er met hun onnozel gelukzalig bakkes al herkauwend achteraan. De eerste paar meters denken we nog dat we er elke second kunnen afdonderen, maar als je wat meegaat in de beweging, lukt ‘t wel. ‘t Is ondertussen ook echt muisstil in de woestijn - het zand dempt alle geluid heerlijk - maar wij tateren enthousiast de hele rit vol. We klimmen en dalen 3 duinen over en komen uiteindelijk bij ons plekje aan, waar de accordeons zich weer dichtvouwen en wij heel elegant van ons rijdier afstappen, ahum. Ons stukje woestijn lijkt met een beetje verbeelding echt afgelegen en verlaten. Je mag alleen niet naar het noorden kijken, want daar staan er windmolens aan de horizon. Je kan deze tocht uiteraard ook meerdere dagen doen tot alle hernieuwbare energiebronnen en andere menselijke sporen uit ‘t zicht verdwenen zijn, maar wij kunnen perfect vrede nemen met drie beschikbare windrichtingen.

De kamelen-taxi keert nog een paar keer terug om andere toeristen op te pikken en de jeeps arriveren ondertussen met onze bagage. Er wordt een vuurtje gestookt, we krijgen chai en we genieten van een prachtige zonsondergang. ‘t Maakt eigenlijk ook echt niet uit dat we hier met veel zijn, integendeel, ‘t heeft een beetje scoutskampvibes. Op 2 Australiërs na zijn alle andere toeristen Indiërs. Ze vragen zich af hoe wij hier beland zijn “because this really is non-touristic, how do you know?” Ha! Ons moet je ‘t niet meer leren, tinternet. We installeren ons rond ‘t kampvuur, eten thali en keuvelen gezellig in ‘t rond. Ook Sam en Robin babbelen vlot mee in ‘t Engels, blij dat ze hun verhaal nog eens met andere mensen kunnen delen. Soms zitten Griet en ik gewoon wat naar ‘t vuur te kijken, terwijl zij vrolijk verder vertellen over hun favorite foods and future plans. Ik sta er versteld van hoe vlot dat gaat en stel me voor dat ze dit over een paar jaar perfect alleen kunnen doen. Crazy, maar ook wel zalig om ze zo bezig te horen en voor onze neus groot te zien worden. Ondertussen zitten we onder een prachtige sterrenhemel. Count your blessings.

Tussendoor komt iemand ons vragen waar we willen slapen: in een tentje, op een bedje onder de sterren of gewoon op het zand. Wij kiezen voor de laatste optie, “cosy, right next to a camel!” voegt Griet er nog aan toe, maar droge humor, dat snappen ze hier niet. “Camel not possible.” Yes, yes, ok. We sluiten het kampvuur af met een rondje muziek, begeleid door wat percussie op lege plastic vaten en omdat ik alsnog een internationale carrière overweeg, leer ik iedereen “In Milaan” zingen. We installeren ons in ons bed, ‘t is dus te zeggen: op een doek op het zand. Even overweegt de plaatselijke hond om ons te vervoegen, maar uiteindelijk liggen we met 4 knus tegen mekaar, ingepakt in 2 warme dekens, een dikke trui en wat extra laagjes. Het wordt ‘s nachts gelukkig niet mega koud, maar het zand ligt toch niet zó geweldig zacht en we worden ons ineens behoorlijk bewust van heupen en andere oncomfortabele botten. De volle maan zorgt voor het sfeerlicht, af en toe horen we een bel rond de nek van een kameel (die ze hier gewoon vrij laten rondlopen ‘s nachts), maar voor het overige is het muisstil. Zalig. Ten minste, dat denk ik altijd, om dan de volgende morgen vast te stellen dat Sam en Griet toch ongeveer elk uur hebben zien passeren en Griet ook heel koude voeten had. Ik had nochtans beloofd om voor mezelf te spreken. Heerlijk geslapen!

We worden de volgende ochtend gewerkt door de zon die opkomt van achter de duinen en z’n licht werpt op een verrassing: met een dag vertraging heeft Sinterklaas de weg gevonden naar de woestijn! De goedheiligman en z’n knecht brengen wat chips en een handgemaakte klankschaal, die we eerder in Pushkar in een winkeltje zagen en die Sam en Robin allebei heel graag wilden. Hoe Sinterklaas dat altijd te weten komt en hoe hij er zich door z’n naïef enthousiasme bij de verkoper (“Today, I’m gonna buy something from your shop! A surprise for my kids!”) ook stevig heeft laten opleggen, het blijft voor altijd een mysterie! We eten maggi als ontbijt, een soort populaire fastfood noodle-achtige snack en klimmen als edele ruiters weer op onze rijdieren. Omdat we gisteren de toelatingsproef goed hebben afgelegd, mogen we nu elk op onze eigen kameel rijden. Iedereen is nog moe, dus we doen het deze keer in stilte. De ochtendzon in de rug, het zachte hobbelen, de meditatieve kamelenbelletjes,… het heeft niet veel gescheeld, België, of we waren verhuisd.

‘s Namiddags en de volgende dag verkennen we Jaisalmer zelf. Ze noemen het “The Golden City” omdat alle gebouwen uit zo’n mooie grote zandkleur-achtige stenen zijn opgetrokken. Denk daar nog wat uitmuntende architecturale reliëfs bij vol krulletjes en andere details en je zit zo in een scene uit Aladdin of Ali Baba.  Uiteraard heeft ook deze stad z’n fort en uiteraard is dat ook bij deze stad net weer een beetje anders. Ze noemen het hier “a living fort”, omdat de mensen (soit: voornamelijk zij die een winkeltje of een restaurantje uitbaten) hier nog altijd in wonen. ‘t Lijkt een beetje op Carcassonne, maar dan sprookjesachtiger en ook met veel meer koeien en (hoe kan het ook anders) brommers die zich alweer een ongeluk toeteren in alle smalle straatjes.

Sam heeft een nieuwe zonnebril nodig en we overwegen er eentje in een kraampje bij de ingang. “This is fake”, zegt de eigenaar trots. “But good fake! Honestly fake!” Een verkoopspraatje als een ander, zeg maar. Terwijl we dan toch bezig zijn, kopen we nog wat andere souveniertjes. We bezoeken prachtige Jain-tempels die zo schoon zijn dat zelfs Sam en Robin ze de moeite vinden. We drinken een koffietje, kopen nog eens souveniertjes, we bezichtigen een havelli (een typisch oud herenhuis, met een typisch Indisch alles-door-mekaar-museum), we eten iets in het paleis van de neef van de koning en had ik al gezegd dat we souveniertjes kopen? Je zou beginnen vrezen dat we stilaan niet meer alles in onze valies krijgen, maar dat blijft wonderwel lukken. En dat komt, lieve lezers, omdat wij ons hier op de trein naar Jodhpur net gerealiseerd hebben dat onze twee badhanddoeken nog aan de wasdraad hangen in de hostel. Dat wordt veertien dagen niet douchen. We kijken ernaar uit iedereen terug te zien!

Previous
Previous

Jodhpur

Next
Next

Pushkar