Sigiriya

Zo een keer om de zoveel tijd valt de stroom uit in Sri Lanka. Je weet ook nooit echt voor hoe lang. ‘t Is raar, want het land oogt rijker, minder chaotisch en properder dan pakweg Bali (waar het hier wel wat van wegheeft, vind ik), maar de elektriciteit, die laat het dus af en toe afweten. Zo zijn er ondertussen nog wel wat dingen die we in dit land niet helemaal kunnen rijmen. In Anuradhapura dachten we nog dat tuktuk’s spotgoedkoop waren, maar elders gaan de prijzen echt alle kanten uit. Parken en attracties zijn belachelijk duur; $25 per persoon om een berg te beklimmen, dat durven ze zelfs in Australië niet. De mensen in restaurants en hotels lijken superchill en zijn dat wellicht ook, maar daardoor loopt de communicatie vaak behoorlijk wazig. In Sigiriya gaan we de tweede dag iets eten in Soul Food, omdat iedereen zin heeft in wraps met avocado. Als de ober eindelijk de weg naar ons tafeltje heeft gevonden meldt hij ons dat er “today unfortunately no avocado” is. We moeten even schakelen en vragen nog wat bedenktijd om iets anders te zoeken. Uiteindelijk kan iedereen leven met een wrap met feta en groentjes, waarop we hem terugroepen en hij doodleuk meldt dat er “today unfortunately also no wraps” zijn. Ja, dag en bedankt he!

Sigiriya is eigenlijk geen echt dorp, maar eerder een lange straat vol restaurants, guesthouses en cafés, die daar allemaal zijn omdat hier in Sigiriya de Lion Rock ligt, een van de bekendste bezienswaardigheden van Sri Lanka. Een oud paleis en later een boeddhistisch bedevaartsoord op 349 meter hoogte. UNESCO werelderfgoed en niet te missen, ware het niet dat wij in India net ongelofelijk verwend zijn geweest qua epische forten en we dus niet meteen geneigd zijn om $100 voor neer te tellen om vervolgens in de rij naar boven aan te schuiven achter een hoop Chinezen met selfiesticks. Gelukkig weet onze Sri Lanka kenner van dienst, G. Van Heddeghem, dat de Leeuwenrots eigenlijk minstens zo mooi is als je’m vanop afstand kan bekijken. Een kilometer verderop ligt Pidurangala, “slechts” 199 meter hoog, maar met een prachtig uitzicht op z’n veel bekendere broer. Het schijnt ook een toffe klim te zijn, met wat boulders op ‘t einde, dus we besluiten om daarvoor te gaan. Maar first things first: hallo, Lokko?

Naast oma en opa en meme Toren hebben we hier in Sri Lanka namelijk afgesproken met nog een ander quasi familielid: de Lokko family! Zij doen in Sri Lanka ongeveer dezelfde tour als ons, maar iets sneller en met beaucoup plus de randonnés. Echt “vakantie” samen doen we pas op ‘t einde, aan de kust in Mirissa, maar dit land is niet groot, dus onderweg kruisen onze wegen wel al een paar keer. En als de kans zich voordoet op een aperitief of een snelle zakenlunch, dan gaan we die uiteraard niet laten liggen. Wanneer we ‘s avonds in Sigiriya arriveren sturen we op goed geluk een berichtje en laten we weten dat we pizza gaan eten in Leon’s Café. Mevrouw Billiet antwoordt dat haar man nog ligt te bekomen van de Leeuwenrots op de ayurvedische massagetafel en dat het daarna aan haar is, dus we stellen onze verwachtingen bij. Maar kijk, we hebben nog maar net besteld of daar stopt een hippe witte minivan met 1 vers gemasseerde vader en 3 all excited kinderen. We schuiven stoelen bij, drinken mojito’s en bestellen pizza’s, heerlijk. Een uurtje later arriveert Perrine ook, maar hun tourschema is strak en hun chauffeur streng: 4 slokken mojito en dan hop, retour vers l’hotel, parce que demain on se réveille tôt! Au revoir, vrienden, dank om even tijd te maken voor deze lazy travellers en tot bij de volgende stop!

Sri Lanka heeft twee moessons: de North East Monsoon zorgt voor regen in het noorden en oosten tussen november en maart en de South West Monsoon doet hetzelfde in het zuiden en westen tussen mei en september. Als je in ‘t midden zit is het dus met wat tegenslag de hele tijd nat. En laat Sigiriya nu toevallig niet net dáár liggen, zeg. De eerste dag dat we’r zijn valt de regen met bakken uit de lucht. We doen niet veel, trachten onze was te drogen (dat mislukt), proberen een spelletje te spelen (als de stroom het niet laat afweten en we voldoende licht hebben) en lunchen ‘s middags ergens waar ze de grond vol houten paletten gelegd hebben om toch maar niet te verdrinken. Zicht op de Leeuwenrots, dat wel. We hopen dat het de volgende dag beter wordt en overwegen brommertjes te huren om ‘s morgens vroeg naar Pidurangula te rijden. Er doen allerlei verhalen de ronde over wilde olifanten die voornamelijk tussen 21 uur 's avonds en 5 uur's ochtends op pad zijn. We weten niet precies wat we ervan moeten denken, maar de regen lijkt ons vervelender dan een olifant, dus we beslissen om even het weer af te wachten alvorens de knoop door te hakken. En maar goed ook. De volgende ochtend hebben we de wekker heel vroeg gezet om de sunrise op de rots mee te pikken, maar ‘t giet nog maar eens water. We kruipen terug in bed en springen een paar uur later dan maar in een tuk tuk richting Dambula. Dat zijn boeddhistische tempels in een grottencomplex en daarover kan je veel zeggen, kinderen, maar niet dat het er niet droog is.

Ze zijn gelukkig ook nog eens mooi, de grotten, dus dat is dubbel prijs. De muren en plafonds zijn prachtig beschilderd en ze staan (en liggen) echt bomvol verschillende Boeddha-beelden. Ze worden ook al bijna 2000 jaar actief gebruikt als bedevaartsoord en om de zoveel tijd krijgt een muur of een beeld een nieuw likje verf. Ook terwijl wij er rondlopen zijn ze actief beelden aan ‘t “restaureren”, mooi om te zien. Er zijn vijf tempels die vlak naast mekaar liggen, waarvan 2 grote, spectaculaire en 3 recentere kleinere, omdat ze nog wat ongebruikte bergruimtes over hadden. Als we na een uurtje buiten komen is de regen gelukkig wat gestopt, dus na een snelle lunch wagen we ons aan de klim naar boven op Pidurangala.

‘t Is redelijk droog als we eraan beginnen en een plezante klim om te doen. Niet te lang, onderaan trapjes en dan vlak voor het einde een paar grote rotsen, waar je al boulderend zelf een weg naar boven moet zoeken. Daar is ‘t een beetje aanschuiven, omdat er in 2 richtingen altijd maar 1 iemand kan passeren. We kruisen een boze Britse die ons met een gezicht op onweer passeert in de afdaling: “don’t bother, you don’t see a single thing up there, only clouds.” Clouds! Dat kennen we van in België! We laten ons niet zomaar afschrikken en klimmen moedig verder. Ze blijkt echter wel gelijk te hebben, want eenmaal boven zijn we inderdaad gehuld in een dikke mist. We rusten even uit van de inspanning en zien dan plots in de verte door de wolken vaagweg een contour van de Leeuwenrots opduiken. Snel een foto! Maar het wordt alleen maar beter en nog eens vijf minuten later klaart de hemel volledig open. Ha! Patience, boze Britse vrouw! Het zicht op de omgeving en de weelderige groene jungle beneden ons is echt prachtig. Na Uluru is dit de tweede inselberg van deze reis. Ik ben er fan van. Op de terugweg begint het alweer zachtjes en daarna veel harder te druppelen, dus we blijken toevallig perfect getimed te hebben. Of we zijn gewoon echt ervaren reizigers, dat kan ook. Ocharme, die mensen die nu naar boven vertrekken, denken we. En ook wel: wat bezielt hen om deze klim in te korte topjes, op crocs, met een paraplu of een sjakosj van Louis Vuitton te doen? Soms voelt Sri Lanka echt een beetje als een pretpark.

De attracties in Sigiriya hebben we ondertussen wel afgevinkt, dus de volgende dag pikt een driver ons op om ons naar Nuwara Eliya te voeren, op 1865 meter een van de hoogste bergdorpen van Sri Lanka. ‘t Is een stevige rit van 5 uur, die in het midden wordt gebroken door een tussenstop in Kandy, de laatste hoofdstad van het Sinhalese koninkrijk tussen 1400 en 1800 en nog maar eens een religieus bedevaartsoord, omdat ze hier de Temple Of The Tooth hebben. In die tempel ligt een van de belangrijkste relikwieën van de boeddhistische canon: een hoektand van Gautama Boeddha zelve. Ons zegt het niet meteen geweldig veel, maar als je hier een trip boekt van punt a naar b, lappen ze er onderweg gegarandeerd 2 watervallen en 3 bezienswaardigheden bij. Het breekt de lange autorit ook een beetje, da’s tof, maar de tempel is niet bijzonder mooi of sfeervol. Hoewel Boeddha voor zover wij weten geen olifant was, hebben ze de hele tempel ook nog eens versierd met slagtanden en ander ivoor. Een tand is een tand, moet de conservator gedacht hebben. Dé tand van Boeddha zelf zit uiteraard goed verborgen onder een gouden mini stoepa, dus veel meer dan “dus daar zit de tand dan onder?” is er ook niet aan. Gelukkig is er vlakbij de tempel een Soul Food restaurantje, jazeker, aandachtige lezer die zich de eerste paragraaf van dit verslag nog herinnert: het blijkt een keten te zijn. Het filiaal in Kandy heeft gelukkig wél wraps én avocado, dus lang leve de Temple Of The Tooth, we gaan hier nog komen!

Na Kandy is het nog twee en een half uur kronkelend door de bergen. Het uitzicht op de theeplantages en het weelderig groen onderweg is prachtig, maar ‘t is ook hier dat cycloon Ditwah een paar weken geleden zo stevig is doorgetrokken en dat valt er wel aan te zien. We passeren de ene landslide na de andere en hier en daar moeten we stoppen voor graafmachines die nog volop bezig zijn. ‘t Is bewonderenswaardig dat ze hier op zo’n korte tijd de wegen weer min of meer begaanbaar hebben gekregen. We stoppen nog voor een korte rondleiding in een tea-factory, waar Nuwara Eliya dankzij de Engelsen om bekend staat. Die hadden het hier voor ‘t zeggen tussen 1800 en 1950 en sinds een zekere James Taylor hier in 1867 een theeplantje in de grond stak, zijn ze niet meer gestopt. Omwille van de Britse invloeden en het koelere klimaat noemen ze Nuwara Eliya ook wel eens Little England. Wat ons betreft mogen ze daar in de volgende edities van de Lonely Planet ook de grijze lucht en de regen bij vermelden. Als we uit het raam kijken van onze Shevyhouse Homestay en onder twee dikke dekens in bed kruipen, wanen we ons heel even al bijna terug in België. Rustig, Sri Lanka, rustig, we hebben nog 10 dagen!

Previous
Previous

Nuwara Eliya

Next
Next

Laatste land op ons lijstje: Sri Lanka